Oesters

Wil je je borrel of voorgerecht eens écht cachet geven? Dan is er toch echt niets mooiers dan oesters. Je kunt ze rauw opdienen, zonder toevoegingen of misschien met wat citroensap of peper als je daarvan houdt. De platte oester (Ostrea edulis) is wat verfijnder van smaak en leent zich hier het beste voor. Ga je liever helemaal los met allerlei bereide varianten? Kies dan voor de creuse (Crassostrea gigas). Die zijn lekker én handig, want die hebben een wat diepere schelp.

An oyster a day…

Je kent die uitspraak wel: ‘an apple a day keeps the doctor away’. Nou, die appel kun je makkelijk vervangen door een oester. Zo gezond zijn ze. En probeer voor de afwisseling regelmatig eens een andere oester. Er zit namelijk veel smaakverschil in oesters van verschillende gebieden. Het zoutgehalte van het water en de ‘smaak’ van de bodem vind je er duidelijk in terug. Super interessant!

Leuk om te weten

Oesterkwekers legden vroeger dakpannen met kalk op de zeebodem. Dat bleek een prima hechtingsplaats voor oesterlarven. Tegenwoordig worden daar vaak mosselschelpen voor gebruikt. Kijk, nu weet je meteen waarom je soms een stukje mosselschelp in je oesterschelp ziet zitten. 

De creuse of holle oester wordt zowel op de bodem, als in zakken op ‘tafels’ in het zeewater gekweekt. Op deze manier hebben ze minder last van natuurlijke vijanden dan op de zeebodem. De ‘La Zélandaise’ , de Zomeroesters en de Ierse oesters van Premier zijn op deze manier gekweekt. Je herkent ze aan hun mooie egale en goed gevormde schelp.